In deze blogpost zal de ziel onder de loep worden genomen. Dit begrip lijkt in de marges van het alledaagse taalveld te zijn verdwenen. Ook binnen de wetenschappelijke context van de psychologie is de ziel een marginaal begrip. Hoe kan het dan dat de ziel van het toneel is verdwenen? En is dit eigenlijk wel wenselijk? In dit artikel zal hierop worden ingegaan. 

Dit wil ik doen door bij het beeld van ‘het toneel’ te blijven. Ooit had de ziel de hoofdrol in de psychologie. ‘Psychologie’ betekent immers, vertaalt vanuit het Grieks, ‘het spreken over de ziel’. Deze blog zal de verdwijning van de ziel duiden als een verandering in de enscenering, de toneelopstelling, van de ziel. Deze nieuwe enscenering is het Cartesiaanse wereldbeeld. De belichting van de ziel van René Descartes schiep de omstandigheden waardoor de ziel verborgen kon raken. 

Een nieuwe discursieve formatie: ziel tegenover materie

De ziel is geen eenduidig begrip. Dat is het ook nooit geweest. De betekenis wordt bepaald door het discours waarbinnen het geplaatst wordt. Zo verschilt de Platoonse ziel van de Aristoteliaanse. Kurt Danziger, historiograaf op het gebied van de psychologie, noemt dit de discursieve formatie. Dit betekent dat termen onderdeel zijn van een geïntegreerd netwerk van betekenissen waarin elke term in samenhang met anderen wordt gearticuleerd. Wanneer Descartes schrijft over de ziel moeten we dus in acht nemen dat hij een eeuwenoud concept formuleert vanuit een heel ander wereldbeeld en taalveld. 

Binnen deze Cartesiaanse discursieve formatie wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen lichaam en ziel. Deze scherpte ontstaat door zijn filosofie waarin hij mentale substanties tegenover materiële substanties plaatst. Onder het mentale vallen de geest van de mens, de engelen en God, maar ook het ‘ik’. De dieren, planten en het menselijk lichaam zijn van de materiële substantie. Dezen functioneren, in tegenstelling tot de mentale substanties, op mechanische wijze. Het hele menselijke lichaam, behalve de immateriële ziel is nu een machine.

Deze scherpe dichotomie van Descartes zal uiteindelijk zijn eigen zielsbegrip wegredeneren. De Franse filosoof stond aan de grondslag van de psychologie die zich ontwikkelde aan het einde van de achttiende eeuw. Hij zette het referentiekader op voor het moderne discours over de natuur van de mens. Zijn nieuwe enscenering was bepalend voor de moderne natuurwetenschappelijke tegenstelling tussen de innerlijke subjectieve wereld en de objectieve mechanistische wereld van gedragingen en causale verbanden.

De gespleten psychologie

Descartes tegenstelling vinden we terug in het discours van de psychologie. Binnen dit discours kan er grofweg een scheiding worden gemaakt tussen twee culturen: de romantische en de behavioristische. Het romantische vertoog heeft een focus op het subjectieve: de betekenis en interpretatie. Het behavioristische vertoog, dat we niet moeten verwarren met het behaviorisme, focust op oorzaak-gevolg relaties, zoals dat in de natuurwetenschappen wordt gedaan. In deze populaire psychologische taal verhoudt de psychologie zich voornamelijk tot het menselijke gedrag. Je meet wat erin gaat en wat eruit komt en je legt verbanden vast. Het ziet de psychologie als een objectieve en experimentele tak van de natuurwetenschap. Introspectie is geen wezenlijk onderdeel van haar methodes. Volgens Danziger werd uiteindelijk het behavioristische vertoog dominant binnen de psychologie. 

Vanuit het behavioristisch perspectief werd het echter onmogelijk om de ziel onder de loep te vinden. Zij probeerden met laboratoriumexperimenten de ziel te onderzoeken. Deze moeite bleek tevergeefs. Na een periode van experimenteel onderzoek naar de ziel is “zij” als black box buiten de beschouwing van de psychologische metingen geraakt. Dat wat Descartes als mentaal had gecategoriseerd bleek vanuit een materialistisch perspectief onvindbaar te zijn.

De taal van de mythos en de taal van de logos

Graham Richards, historiograaf op het gebied van de psychologie, maakt het onderscheid tussen de taal van de mythos en de taal van de logos. Dit onderscheidt geeft ons een referentiekader waarbinnen we het bovenstaande kunnen plaatsen. 

Mythos refereert hierbij naar een raamwerk van waarden en betekenissen waarmee we onze ervaringen evalueren. Dit zijn geen empirische vooronderstellingen, maar een manier van zijn en ervaren. Het is verwant aan de kunst, literatuur en rituelen waarmee we de middelen hebben om ons emotionele leven en relaties met anderen te interpreteren en te uiten. Het genereert verhalen, beelden en symbolen die onze ervaringen van betekenis, waarde en structuur toedienen. Logos verwijst in deze tegenstelling naar een praktisch verstaan over de wereld. Het verwijst naar oorzaak-gevolg relaties en niet naar de betekenis daarvan. 

Richards ziet het onvermogen om dit onderscheid te kunnen maken als oorzaak van vele discussies binnen de psychologie. De psychologie heeft natuurwetenschappelijke aspiraties en staat daarmee in dienst van de logos. Toch kan zij niet om de mythologische taal heen. Neem als voorbeeld het ‘ik’, ‘het zelf’ en identiteit. Dit zijn net als ‘de ziel’ taalconstructies die onze ervaringen structureren. Zij zijn onzichtbaar voor het natuurwetenschappelijk perspectief. Wie een lichaam opensnijdt zal nergens een ‘ik’ vinden. 

Welke ervaring probeert ‘de ziel’ dan te vatten? Hier is natuurlijk geen eenduidig antwoord op, alleen al vanwege de verscheidenheid in zielsbegrippen. Ter illustratie zouden we naar de Jungiaanse antropologie kunnen kijken. Hierin wordt de ziel, in zijn taal de anima, onderscheiden van het ‘ik’, het ego. Het ‘ik’ staat hierbij voor het deel van de identiteit waarvan men zich bewust is. Maar men is meer dan zijn bewuste associaties over hemzelf. De ziel is voor Jung het deel van de mens dat hem verbindt met wie hij kan zijn; een meer complete identiteit die nog verborgen ligt in de toekomst. Dit is natuurlijk geen natuurwetenschappelijk feit, maar meer een fenomenologische gegeven. Maar daarmee niet minder relevant. Dergelijke taal vertelt misschien meer over ons dan een natuurwetenschappelijke mythos over neuronen.  

Door de dominante taal van de logos is het zielsbegrip langzaam in de marges van het psychologische taalveld verdwenen. Dit taalveld dat probeert zijn onderzoeksobjecten te duiden vanuit oorzaak-gevolg relaties. Het is maar de vraag of dit taalveld recht doet aan onze menselijke ervaringen.

Verder lezen

Danziger, Kurt. Naming the Mind : How Psychology Found Its Language (London: SAGE Publications Ltd, 1997).

Ostenfeld, Erik. Ancient Greek Psychology and the Modern Mind-Body Debate. Aarhus: Aarhus University Press, 1987.

Richards, Graham. ‘Mythos and Logos’. In Psychology, Religion, and the Nature of the Soul, door Graham Richards, 9–11. New York, NY: Springer New York, 2011. https://doi.org/10.1007/978-1-4419-7173-9_2.

Vandermeersch, Patrick, en Herman Westerink. Godsdienstpsychologie in cultuurhistorisch perspectief. Amsterdam: Boom, 2007.

  • Bericht auteur: